Thoughts, scribbles and stories on the topic of doubt and certainty, written in the context of a possible graduation project. 
Over goud 
In mijn ouderlijk huis lees ik op het toilet de Donald Duck. Dat is vooral amusant tijdverdrijf, maar leidt van tijd tot tijd ook tot metafysische openbaringen (of eigenlijk beter; metafysische vragen). Zo las ik een verhaal over Oom Dagobert, een steenrijke vrek, en Willie Wortel, een verstrooide uitvinder. Willie had iets uitgevonden dat Dagobert kon gebruiken om zijn geld mee te beschermen tegen de Zware Jongens, boeven, die er altijd op uit zijn zijn centen te stelen. Natuurlijk ging dat hele plan mis en zorgde een door Willie uitgevonden ‘gewichtloosheidsstraal’ er uiteindelijk voor dat al Dagobert’s goud gewichtloos werd.
Fascinerend. Op een gegeven moment in het verhaal rent Dabobert, met zijn buks in de hand achter Wortel aan en roept: “De waarde van goud wordt in gewicht berekent, nu is het niets meer waard!”. In dit stripverhaal kon een situatie gecreëerd worden waarin een element dat essentieel is voor het ‘ding’ (goud) in kwestie, verwijderd kon worden. Dat leid tot ons tot de vraag of dit goud, zonder gewicht, nog wel goud is? Of is gewicht, zwaarte, een noodzakelijke eigenschap voor materie om goud te kunnen zijn?
Ook interessant is de waarde die vastzit aan deze eigenschap. Zonder gewicht heeft goud voor Dagobert geen waarde meer, want het gewicht van goud is essentieel om het financieel waarde te laten hebben (en Dagobert geeft alleen om geld). Voor Ariël, de zeemeermin die van glimmende mensendingen houdt, zou het goud ook zonder gewicht prima waarde kunnen hebben. De glans, de structuur of puur het feit dat het een menselijk product is zou voor haar genoeg zijn. Waarde is daarmee afhankelijk van een eigenschap van een product en omdat verschillende mensen verschillende eigenschappen kunnen waarderen daarmee subjectief. Wat voor Dagobert waardeloos goud is is voor Ariel nog waardevol goud. Dit zorgde ook weer voor de vraag of goud zonder gewicht (wat in de realiteit alleen hypothetisch kan, maar in dit stripverhaal wel gewoon) voor Dabobert geen goud meer is, maar voor Ariël wel.
Uiteindelijk kwam het met Dagoberts goud weer goed, werd Willie in ere hersteld en belandden de Zware Jongens in het gevang.
Piemels en dakpannen 
Het ging pas over klussen. Het dak van een schuur moest er af, en in de trant van vele handen maken licht werk werd een weekendje gepland om dit voor elkaar te krijgen. Een detail; alleen de heren van desbetreffende groep waren van deze activiteit op de hoogte, en er werd publiekelijk gevraagd of er nog meer heren mee zouden willen. Er werd vanuit gegaan dat, omdat het hier om een klus-weekend ging, de dames niet geïnteresseerd waren. Later op de dag vroeg ik me af waarom ik hier nu zo gepikeerd van raakte (want dat raakte ik). Waarom werd ik nou zo getriggerd door deze situatie? Waar kwam dat gevoel van ongelijkheid en oneerlijkheid vandaan? Het ging hier om dakpannen van een dak halen, waarom zat dit mij zo dwars?
Na een grondige analyse kwam ik tot de conclusie dat het probleem dat ik voelde lag bij de link tussen de taak in kwestie en het mannelijk geslacht. Die twee werden namelijk onlosmakelijk gekoppeld, terwijl ze niet logisch op elkaar volgen. Om dakpannen van een dak te kunnen tillen hoef je namelijk geen man te zijn. Je moet een zekere hoeveelheid spierkracht hebben (maar niet overmatig veel, het gaat hier om dakpannen, die wegen ongeveer 2,5kg, google maar), je moet geen hoogtevrees hebben en je moet zorgvuldig om kunnen gaan met breekbare voorwerpen. Geen van deze kwaliteiten heeft mannelijkheid (of iets vulgairder; een piemel) als noodzakelijke basis. Ook zonder piemel en zelfs mét borsten is het mogelijk 2,5kg te tillen op grote hoogte en deze veilig op te stapelen op lagere hoogte. Of je dakpannen van een dak kunt halen heeft helemaal niets te maken met geslachtsdelen, het heeft te maken met spieren, hoogtevrees en zorgvuldigheid.
Natuurlijk kun je hier tegenin brengen dat, statistisch gezien, de meeste mannen wél zin hebben om op dakpan-afhaal-vakantie te gaan en de meeste vrouwen niet. Dat brengt ons terug naar de eerder besproken waarschijnlijkheid (Gaston die voor je deur staat, de kans dat je zes gooit, dat idee). Gebaseerd op eerdere ervaringen en kansberekening is de waarschijnlijkheid dat een oma, tante of nichtje mee wil vast kleiner dan bij een opa, oom of neefje. Echter, hoe groot die waarschijnlijkheid, in context, in tijd, ook is, de uiteindelijke kans dat iemand mee wil, an sich, blijft 50/50. Door alvast voor iemand te besluiten dat hij of zij niet mee wil omdat hij of zij statistisch gezien waarschijnlijk niet mee wil beperk je hem of haar, vul je iets in wat niet noodzakelijkerwijs zo is. Conclusie; gebruik waarschijnlijkheid en statistiek vooral, maar geef iemand altijd de ruimte onwaarschijnlijk te zijn.
Weet ik veel 
Ik zat pas een avondje met m’n huisgenoot te lullen. Ik probeerde haar het onderwerp van mijn afstuderen uit te leggen, wat ingewikkeld is omdat ik dan zelf ook vaak de draad kwijtraak en uiteindelijk eindig met “nou ja, die twijfel moet dan wel, ja of dus niet, dat is misschien het punt, of niet natuurlijk”. Uiteindelijk probeerde ik mezelf eruit te redden door te vragen hoe zeker ze wist dat de aarde rond is.
Want ik weet niet zeker dat de aarde rond is. Ik heb dat nog nooit zelf waargenomen, ben nog niet in een raketje naar de maan gegaan. Men vertelde me op school dat ‘ie rond is, en dat er een heleboel op gebaseerd is, de dag en nacht, zomer en winter, etc. etc. Nu neigt dit stuk richting een flat-earth betoog te gaan, maar het is alles behalve dat. Ik ben er namelijk ook niet van overtuigd dat de aarde niét rond is. Tot nu toe vind ik het een aannemelijk verhaal. Ik ben ook nog niets tegengekomen wat ingaat tegen het idee dat de aarde rond is. Bertrand Russell, een filosofisch scepticus (zo’n eentje die twijfelt aan ALLES en dat dat dan eigenlijk het punt is) stelde het als volgt: “I am prepared to admit any well-established result of science, not as certainly true, but as sufficiently probable to afford a basis for rational action.” In mijn geval; tot zover ben ik niets tegengekomen dat tegen een ronde aarde in gaat, dus ik vind het sufficiently probable om mee te werken.
En dat is ook een interessante. Want hoe noodzakelijk is het dat ik weet dat de aarde rond is? Maakt dat, voor mij, echt uit? Als ik niet kunstenaar in opleiding maar aarde-onderzoeker zou zijn zou het uitmaken. Dan wil ik namelijk allerlei acties uitvoeren die gebaseerd zijn op het wel of niet rond zijn de aarde. Maar nu, voor mij, maakt het niet zoveel uit welke vorm de aarde heeft. Zolang ‘ie blijft doen wat ‘ie nu doet zit de vorm mij niet dwars. En ik denk dat het interessant is te kijken naar die noodzakelijkheid. Is het noodzakelijk dat ik dit zeker weet, of kan ik ook prima de vraag eens beantwoorden met “Ik heb werkelijk geen idee”? Die laatste geeft namelijk ruimte. Ruimte voor discussie, ruimte voor andere ideeën, ruimte voor een ander.
Mijn huisgenoot hield er een existentiële crisis aan over, maar een goed gesprek hadden we wel. Daarom roep ik u op; weet het eens iets minder zeker.
De kans dat 
Pas dineerde ik met mijn broertje. Tijdens dit avondeten hadden we een discussie over ‘de kans dat’. Die discussie was ontstaan aan de hand van de quote ‘alles komt (niet) goed’ die ik onlangs op een schoolbord had zien staan, samen met een smiley die tegelijkertijd blij én verdrietig keek. De quote leek me over een 50/50-situatie te gaan; het komt of wel, of niet goed, 50% kans voor elk. Ik beredeneerde daaruit voort dat dit zo is voor álle situaties. Iets gebeurt wel of niet, iets is er wel of niet.
Mijn broertje ging daar tegenin met een voorbeeld van een dobbelsteen. Aan een dobbelsteen zitten zes kanten. Als je een dobbelsteen gooit, is de kans dan ook 50/50 dat ‘ie op zes valt? Hier voelde ook ik de begrijpelijke neiging ‘nee’ te zeggen; met zes kanten aan een dobbelsteen heeft elke kant een kans van één op zes te vallen (mits niet verzwaard, maar ik ga er vanuit dat geen van u in het gok-fraude-circuit verkeert). Toch kon ik me niet volledig overgeven aan dit antwoord. De kans dat zes valt, in de context van een dobbelsteen met nog vijf andere kanten, vindt ik inderdaad één op zes. Haal je ‘m echter uit de context van de hele dobbelsteen en beperk je de context tot alleen zes, dan heb je volgens mij nog steeds een kans van één op twee. Zes valt, of niet. Met deze distinctie vervolgden wij onze discussie (en maaltijd).
Uiteindelijk bleken context en tijd cruciaal. Dit ondersteunden we met een voorbeeld waarvoor we Gaston (van de Postcodeloterij) gebruikten. Aan de hand van je leven, je acties, je leefomgeving, etc, etc, ontstaat er een bepaalde kans dat Gaston op een dag voor je deur staat met een miljoen. Koop je veel loten dan wordt deze kans groter, woon je op een eiland in de Biesbosch zonder internet wordt de kans kleiner. Die kans is een kans ingebed in context en in tijd. Verwijder je echter die context en beperk je je tot het moment dat je je deur opendoet is de kans dat Gaston daar staat één op twee. Hij staat daar, of niet. Die kans is los van context en tijd, is niet zo zeer gebaseerd op kansberekening en waarschijnlijkheid, maar eerder op het principe dat iets niet tegelijkertijd wel en niet kan zijn. We waren erg content met onze Gaston-conclusie en begonnen daarom maar aan het toetje.
Brilletjes
Sinds fysiek samenkomen niet meer verantwoord is opent zich in het video-bel-programma bijna elke avond het online-café. Zo hebben we het gevoel in de kroeg te zitten en slap met elkaar te kunnen lullen, ook al is dat via de computer. Pas hadden we het in dit café over een jongen die soms om half 3 ’s nachts een rondje ging fietsen. Mijn kroeggenoten vonden dat verdacht, wie gaat er nu om half 3 fietsen? Ikzelf zag de charme er van in, zo fietsend door alle rust terwijl de wereld slaapt.
We keken naar hetzelfde ding, maar zagen iets anders. Dat kan komen door eerdere ervaringen, een bepaalde opvoeding, neurologische linkjes in de hersenpan, etc. We zien de dingen vanuit ons eigen perspectief, door onze eigen subjectieve bril. Dat betekent dat een fietsende nacht in de man voor de een positief kan zijn, voor de ander negatief. Sartre omschreef het als volgt; een groot rotsblok op de weg is geen obstakel an sich, het is alleen een obstakel als jij van plan was over die weg te rijden met je auto. Was je daarentegen een wandeling aan het maken, op zoek naar grote rotsblokken, is het rotsblok volledig positief, geen enkel probleem! Ik denk dat we dit inzicht in onze corona-tijden goed kunnen gebruiken. Het virus stak een stokje voor al onze plannen, maar hoeft geen obstakel an sich te zijn. Binnen blijven hoeft geen obstakel te zijn als je je scriptie wilt schrijven. Fysieke afstand moeten nemen kan leiden tot gesprekken op hoger niveau, meer focus op de psyche.
Iets is niet positief of negatief an sich. Een fietsende man in de nacht is niet per se slecht of goed, maar word bekeken vanuit een perspectief. Het ding an sich kunnen we vaak niet veranderen, ons perspectief soms wel.
Laat maar los
Ik lees nu een boek over spelletjes. Bernard De Koven schreef het en op een zeker punt heeft hij het over het doel van spelen. Hij bevraagd of het nodig is om te winnen en of regels noodzakelijk gevolgd moeten worden. Als je met spelen voornamelijk plezier wilt hebben, moet je je dan wel strikt aan de regels houden? Of mag je valsspelen, regels verbuigen, regels compleet overboord gooien, wanneer de lol er niet onder lijdt, of zelfs toeneemt?
Dit deed me denken aan een turnles die ik ooit gaf. Ik had het idee een trampoline neer te zetten, met daarachter een dikke mat. Leuk, dacht ik, trampolinespringen, en daarnaast een goede uitlaatklep voor de onuitputtelijke energie van 5-jarigen. Ik had echter nog maar net de dikke mat neergelegd en was op weg een trampoline te pakken, toen ik omkeek en vier kinderen enthousiast zag springen op de dikke mat. Ze vonden het geweldig, op en neer springen op een mat. Bleek de trampoline helemaal niet nodig voor wat ik wilde bereiken; een dikke mat was genoeg voor een heleboel plezier en dertig uitgeputte kinderen aan het eind van de les.
Een tweede illustratief voorbeeld zijn de potjes monopoly die wij thuis met het gezin vaak speelden. Vaak deed een vriend van mijn broertje dan ook mee. Hij was echt heel slecht in monopoly en ging eigenlijk altijd na zo’n drie beurten failliet. Technisch gezien zou hij dan ‘af’ zijn en niet meer mee mogen doen, maar dat was natuurlijk rete-ongezellig. Daarom verzonnen we altijd somehow een manier waarop hij toch mee kon iblijven doen; als ‘geest’ over het bord, een fusie met andere deelnemers of een steunfonds van vrijwillige bijdragen. Natuurlijk ging dat in tegen de spelregels van monopoly, maar ons punt was niet monopoly correct spelen, we wilden gewoon een gezellig avond, met z’n allen.
Moraal van het verhaal; hou niet te stevig vast aan regels. Zie ze als leidraad, maar evalueer altijd of ze relevant zijn in verband met het doel dat je wilt behalen. Zijn de regels nog nodig op het punt waar je bent? Is het leuker als we de regel overboord gooien? Kunnen we een nieuwe regel bedenken, die het spelen beter maakt? Roest niet vast, durf los te laten, speel.
Radicaal vrij 
Sartre noemde (niet helemaal zelf, maar via een personage in een toneelstuk, maar oké oké…) de anderen de hel. Hij vond dat zo omdat een ander jou altijd als object ziet. Een afgebakend geheel, bepaald en gedefinieerd. Dat gaat, volgens Sartre, tegen jou eigen autonomie in. Je bent namelijk radicaal vrij, altijd in staat te kiezen.
Dat die anderen de hel zijn, zoals Sartre via via benoemd, gaat gepaard met een binair-denken. Binair, dat met die 0’en en 1’en, betekent óf het een, óf het ander. De term non-binair (of non-binary in hip, international English), kennen we uit de sekse-wereld. Iemand die zich als non-binair definieert zegt eigenlijk: ik doe niet mee met kiezen tussen man of vrouw zijn, ik doe niet mee aan die of het één of het ander. Ik denk dat Sartre ook last had van dat binaire denken. De ander ziet jou als iets, waardoor je opeens beperkt wordt in je vrijheid het ander te zijn, of iets te doen wat bij het ander-zijn hoort. In gendertermen: als een ander jou ziet, bepaald en gedefinieerd als man, klopt het opeens niet meer als jij vrouwenkleding draagt. Je bent een man-object geworden door de ogen van een ander en daar dien je je mee in lijn te gedragen.
Nu lijkt dit er misschien toe te leiden dat we erg boos moeten worden op de ander, dat die ons bepaald en dat dat dus echt helemaal kut is. Ik denk echter dat we zelf ook een grote rol spelen in het beperken van onze eigen vrijheid. We vinden het fijn de ander te definiëren, maar vooral ook om onszelf te definiëren. Het is prettig antwoord te kunnen geven op de vraag wie je bent, wat je later wilt worden, welke geloofsovertuiging je hebt en hoe je eetpatroon is. Daarmee kan je in één term een heleboel vertellen. Interessant is dat we door deze neiging tot het definiëren (filosoof Derrida noemde dat zelfs het hele punt van de hele filosofie) onze eigen radicale vrijheid beperken. Omdat we graag consequent willen handelen voelt het opeens heel fout een blik knakworsten leeg te eten als je jezelf vegetariër noemt. Met definitie komt afbakening, met afbakening wordt overtreding mogelijk.
Misschien kunnen we wat minder binair gaan denken. Niet bepalen als wel of niet, 0 of 1, maar meer ruimte laten. Misschien doe je op maandag wel helemaal 0-achtig, maar voel je je op dinsdag veel meer 1-achtig. Nu voel ik hier de neiging het spectrum uit te breiden, naar bijvoorbeeld 0.1, 0.2, 0.3 en zo door, maar dat is een stiekeme valkuil. Dan blijf je namelijk definiëren, nog steeds afbakenen. Als we kunnen leven zonder te definiëren hebben we meer ruimte. Je kunt prima geen vlees eten, zonder jezelf vegetariër te noemen, of rokjes dragen zonder jezelf te definiëren als vrouw. Probeer maar. Je kunt ook blijven definiëren en leren leven met inconsequentie. Vegetariër zijn én op zaterdagavond schaamteloos negen kipnuggets naar binnen werken. Ik denk dat het belangrijk is te blijven onthouden dat we niets moeten, dat een definitie niet bindend is en we uiteindelijk zelf de touwtjes in handen hebben. Leve de radicale vrijheid.
Back to Top