Pas dineerde ik met mijn broertje. Tijdens dit avondeten hadden we een discussie over ‘de kans dat’. Die discussie was ontstaan aan de hand van de quote ‘alles komt (niet) goed’ die ik onlangs op een schoolbord had zien staan, samen met een smiley die tegelijkertijd blij én verdrietig keek. De quote leek me over een 50/50-situatie te gaan; het komt of wel, of niet goed, 50% kans voor elk. Ik beredeneerde daaruit voort dat dit zo is voor álle situaties. Iets gebeurt wel of niet, iets is er wel of niet.
Mijn broertje ging daar tegenin met een voorbeeld van een dobbelsteen. Aan een dobbelsteen zitten zes kanten. Als je een dobbelsteen gooit, is de kans dan ook 50/50 dat ‘ie op zes valt? Hier voelde ook ik de begrijpelijke neiging ‘nee’ te zeggen; met zes kanten aan een dobbelsteen heeft elke kant een kans van één op zes te vallen (mits niet verzwaard, maar ik ga er vanuit dat geen van u in het gok-fraude-circuit verkeert). Toch kon ik me niet volledig overgeven aan dit antwoord. De kans dat zes valt, in de context van een dobbelsteen met nog vijf andere kanten, vindt ik inderdaad één op zes. Haal je ‘m echter uit de context van de hele dobbelsteen en beperk je de context tot alleen zes, dan heb je volgens mij nog steeds een kans van één op twee. Zes valt, of niet. Met deze distinctie vervolgden wij onze discussie (en maaltijd).
Uiteindelijk bleken context en tijd cruciaal. Dit ondersteunden we met een voorbeeld waarvoor we Gaston (van de Postcodeloterij) gebruikten. Aan de hand van je leven, je acties, je leefomgeving, etc, etc, ontstaat er een bepaalde kans dat Gaston op een dag voor je deur staat met een miljoen. Koop je veel loten dan wordt deze kans groter, woon je op een eiland in de Biesbosch zonder internet wordt de kans kleiner. Die kans is een kans ingebed in context en in tijd. Verwijder je echter die context en beperk je je tot het moment dat je je deur opendoet is de kans dat Gaston daar staat één op twee. Hij staat daar, of niet. Die kans is los van context en tijd, is niet zo zeer gebaseerd op kansberekening en waarschijnlijkheid, maar eerder op het principe dat iets niet tegelijkertijd wel en niet kan zijn. We waren erg content met onze Gaston-conclusie en begonnen daarom maar aan het toetje.
Back to Top