Het ging pas over klussen. Het dak van een schuur moest er af, en in de trant van vele handen maken licht werk werd een weekendje gepland om dit voor elkaar te krijgen. Een detail; alleen de heren van desbetreffende groep waren van deze activiteit op de hoogte, en er werd publiekelijk gevraagd of er nog meer heren mee zouden willen. Er werd vanuit gegaan dat, omdat het hier om een klus-weekend ging, de dames niet geïnteresseerd waren. Later op de dag vroeg ik me af waarom ik hier nu zo gepikeerd van raakte (want dat raakte ik). Waarom werd ik nou zo getriggerd door deze situatie? Waar kwam dat gevoel van ongelijkheid en oneerlijkheid vandaan? Het ging hier om dakpannen van een dak halen, waarom zat dit mij zo dwars?
Na een grondige analyse kwam ik tot de conclusie dat het probleem dat ik voelde lag bij de link tussen de taak in kwestie en het mannelijk geslacht. Die twee werden namelijk onlosmakelijk gekoppeld, terwijl ze niet logisch op elkaar volgen. Om dakpannen van een dak te kunnen tillen hoef je namelijk geen man te zijn. Je moet een zekere hoeveelheid spierkracht hebben (maar niet overmatig veel, het gaat hier om dakpannen, die wegen ongeveer 2,5kg, google maar), je moet geen hoogtevrees hebben en je moet zorgvuldig om kunnen gaan met breekbare voorwerpen. Geen van deze kwaliteiten heeft mannelijkheid (of iets vulgairder; een piemel) als noodzakelijke basis. Ook zonder piemel en zelfs mét borsten is het mogelijk 2,5kg te tillen op grote hoogte en deze veilig op te stapelen op lagere hoogte. Of je dakpannen van een dak kunt halen heeft helemaal niets te maken met geslachtsdelen, het heeft te maken met spieren, hoogtevrees en zorgvuldigheid.
Natuurlijk kun je hier tegenin brengen dat, statistisch gezien, de meeste mannen wél zin hebben om op dakpan-afhaal-vakantie te gaan en de meeste vrouwen niet. Dat brengt ons terug naar de eerder besproken waarschijnlijkheid (Gaston die voor je deur staat, de kans dat je zes gooit, dat idee). Gebaseerd op eerdere ervaringen en kansberekening is de waarschijnlijkheid dat een oma, tante of nichtje mee wil vast kleiner dan bij een opa, oom of neefje. Echter, hoe groot die waarschijnlijkheid, in context, in tijd, ook is, de uiteindelijke kans dat iemand mee wil, an sich, blijft 50/50. Door alvast voor iemand te besluiten dat hij of zij niet mee wil omdat hij of zij statistisch gezien waarschijnlijk niet mee wil beperk je hem of haar, vul je iets in wat niet noodzakelijkerwijs zo is. Conclusie; gebruik waarschijnlijkheid en statistiek vooral, maar geef iemand altijd de ruimte onwaarschijnlijk te zijn.
Back to Top